Wat is de beste manier om risicogericht adresonderzoek te organiseren? De gemeente Nijmegen deed het eerst zelf, schakelde vervolgens een extern bureau in, maar pakt het nu weer zelf op. Dat bevalt goed. "De lijnen zijn korter. Dat maakt samenwerking met andere afdelingen effectiever. Je versterkt elkaar." Galantha Bosman en Wout Elemans (zie foto), beiden staffunctionaris Burgerzaken, vertellen hoe ze te werk gaan. 

De gemeente Nijmegen neemt al jaren deel aan LAA. Aanvankelijk ging een toezichthouder BRP (Basisregistratie Personen) op pad met LAA-signalen. "Nadat hij met pensioen ging, hadden we daar geen formatie meer voor. Het kwam praktisch beter uit om risicogericht adresonderzoek uit te besteden", vertelt Bosman. "Maar nu hebben we het weer in eigen hand." In januari 2019 ging in Nijmegen het project "Samenwerken aan het adres" van start, waarvan Galantha projectleider is. Dit project bestaat uit drie onderdelen; briefadres, risicoprofielen bij verhuizingen en risicogericht adresonderzoek. Het risicogericht adresonderzoek richt zich zowel op LAA-signalen als op eigen signalen van de gemeente. Wout is LAA-contactpersoon.

"We hebben risicogericht adresonderzoek weer in eigen hand."

Presentaties

"Adresonderzoek in eigen beheer zorgt voor betere samenwerking met andere afdelingen", zegt Wout. "Een extern bureau staat meer op afstand. Nu medewerkers van de gemeente het adresonderzoek uitvoeren, gaat het intern meer leven. In de praktijk zijn zij ambassadeurs voor adresonderzoek. Daardoor krijgen wij meer bekendheid bij andere afdelingen. Dat gaat op een natuurlijke manier." Galantha voegt toe: "Tegelijkertijd zijn we ook actief bezig om het adresonderzoek onder de aandacht te brengen." Zo houden de toezichthouders BRP presentaties bij sociaal rechercheurs, Zorg en Inkomen, de Omgevingsdienst, wijkmanagers en wijkagenten. "Als bijvoorbeeld de Omgevingsdienst een pand ziet met dichtgetimmerde ruiten, is het mooi als ze denken: dit kan interessante informatie zijn voor de toezichthouder BRP."

Meer signalen

Deelname aan LAA is waardevol, stelt Wout. "De hitrate van LAA-signalen ligt ruim boven de 50 procent. Het zijn interessante signalen. Ze helpen niet alleen om de BRP op orde te houden, maar ze zijn ook nuttig voor andere afdelingen. Bijvoorbeeld als wij een LAA-signaal hebben en de afdeling Uitkeringsbeheer heeft tips gekregen over uitkeringsfraude op datzelfde adres. Of de wijkagent constateert dat een bepaald adres een duiventil is waar continu mensen in en uit lopen. Dat adres is misschien ook een LAA-adres. Zo versterk je elkaar." Hij vertelt dat het aantal signalen van andere afdelingen substantieel is toegenomen sinds het adresonderzoek in eigen beheer wordt uitgevoerd. "We plukken er dus direct de vruchten van."

"We krijgen steeds meer signalen van andere afdelingen."

Diverse disciplines

Op dit moment houden twee toezichthouders zich bezig met risicogericht adresonderzoek. De een werkt de ene helft van de tijd als toezichthouder BRP en de andere helft als integraal toezichthouder bij Toezicht en Handhaving. De andere toezichthouder werkt de ene helft van de tijd voor Uitkeringsbeheer en de andere helft voor de BRP. In de achterwacht werkt een medewerker die deels bij de BRP werkt en deels bij Registratie Niet-ingezetenen. Gaat de toezichthouder BRP niet op pad met bijvoorbeeld een sociaal rechercheur? "In de toekomst hopelijk wel, maar zo ver zijn we nog niet", aldus Wout. "Maar doordat onze toezichthouders verschillende werkzaamheden verrichten, komen er toch diverse disciplines bij elkaar en is de expertise groot." Galantha vertelt dat de toezichthouders voorafgaand aan het project een opleiding toezichthouder BRP volgden en een e-learning adresonderzoek. Ook liepen ze anderhalve maand mee met het externe bureau dat voorheen het adresonderzoek deed. "Sturen op kwaliteit is belangrijk."

Tussen wal en schip

Risicogericht adresonderzoek levert goede resultaten op. "Financieel, als er een uitkering wordt stopgezet. Maar het is veel breder, bijvoorbeeld als blijkt dat er ten onrechte huur- of zorgtoeslag is ontvangen", aldus Galantha. Ook sociaal-maatschappelijk worden er resultaten geboekt. "Als mensen eerder in beeld zijn bij de gemeente, kun je voorkomen dat er schuldenproblematiek ontstaat of dat mensen tussen wal en schip raken", zegt Wout. "We werken ook samen met het sociaal wijkteam en met procesregisseurs. Die laatsten houden zich bezig met meervoudige problematiek, zoals huiselijk geweld of situaties waar jeugdzorg nodig is. Dan gaat het altijd om kwetsbare burgers."   

Lerende organisatie

Hoe kregen ze draagvlak voor deze manier van werken? "Het belang van een kwalitatief goede BRP zal alleen maar toenemen", stelt Wout. "Je moet bereid zijn daarin te investeren. Het management erkent dat. Met het project 'Samenwerken aan het adres' geven we de adreskwaliteit de aandacht die het verdient." Is deze aanpak van risicogericht adresonderzoek nu echt geland in de organisatie? Het is te vroeg om dat te zeggen, vindt Galantha. "Het is in opbouw. We zijn opnieuw begonnen. We komen meer op het netvlies van andere afdelingen en we bereiken dat meer mensen het nut zien van samenwerken." Wout voegt eraan toe: "En als het eenmaal geland is, moet je niet achterover leunen. Hoe maak je het nog efficiënter? Hoe houd je de aandacht van andere afdelingen vast? Hoe kan overdracht van informatie het beste plaatsvinden?" Galantha: "We zijn een lerende organisatie."

Contact met andere gemeenten

Galantha en Wout delen hun kennis en ervaring graag met andere gemeenten. "Dankzij LAA werken we samen met vergelijkbare gemeenten, zoals Zwolle, Arnhem en Enschede. Wat speelt daar? Wat kunnen we van elkaar leren?" Ook hebben ze contact met kleinere gemeenten. Zo bezoekt Wout met een collega de contactgroepbijeenkomsten van LAA. "Dan wissel je praktische operationele ervaringen uit. Binnenkort ga ik sparren met een kleine gemeente. Hoe kunnen zij adresonderzoek eenvoudig opzetten en dan op zo’n manier dat ze meteen vooruitgang boeken? Dat is nuttig. Het is inefficiënt als iedereen elke keer zelf het wiel gaat uitvinden."